Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL.

227

Maria.

Uitgaande, ben ik geftruikeld. De beker is uit myne hand gevalien, en de wyn weg.

Carel.

Ik hoop,dat u nooit grooter ongeluk moge overkomen .. . maar hebt gy den beker nu weder gevuld ?

Maria.

Ja met appeldrank. Carel. Die is zelfs te goed voor dat vrouwmenfch.

Maria. Dat denk ik ook . . . maar ik geloof niet, dat haar de wyn juist zou gefmaakt hebben.

Carel.

Hoe zo?

Maria.

Of het de aart van dien wyn is, dan of het van ouderdom komt, dan of ze bedorven was , ik weet het niet; maar hy gaf een walgelyken reuk van zich af, en op den grond van den beker lag zo veel vuiligheid , dat ik werk had, denzelven fchoon te krygen. Ik moeft my ook haatten. . . Ik zag Dorcas. . . Zy liep en trippelde al heen en weer. Ik geloof niet, dat ze my gezien heeft, fchoon ik haar zag en bevreesd was, dat ze my zien zou. Ze is toch ook al wat nieuwsgierig.

Carel.

Ja rykelyk. . . Maar myn lieve Mietje, dat zyn de vrouwen meest altyd.

p 2 Ma*

Sluiten