Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL, 239

Fredrik. Ik vrees, dat men my van u en van al myn geluk in dit leeven heeft beroofd. . . ö Myn Schepper !

Juliana.

Dat my niemant befta te naderen .. . Sterven moet ik en fterven wil ik .. . maar voor dat ik in de afgronden de verdoemden bedoek , wil ik , voor God en menfchen, eene belydenis afleggen, die u zal doen fidderen... Ik had uwe zakken doortaft Fredrik, en meende, uit den brief, dien ik 'er in vond, te moeten befluiten, dat gy heimelyk ontbooden waart, om uwe trouw, aan my beloofd en gezworen, te fchenden Ik zond Dorcas ter Huik uit, om u te befpieden. Zy deedt zulks, en zag u van eene jongvrouw, die zy, zo weinig als ik, waande,uwe zufter te zyn, omhelsd. Haar achterhoudend bericht dienaangaande bragt my in woede. Noch haare redeneeringen — noch myn fchreuwend ge weeten konden my beletten , een drank te bereiden, die, zo gy 'er van gedronken hebt, u zekerlyk zal doen fterven. . . Ik heb in den wyn een gedeelte van het vergift, voor uwe fchaapen aan my toebetrouwd, gemengd. .. .

Fredrik, (in woede.)

Rampzalige, wat wederhoudt my ?. .. Justina.

ó Myn broeder ! ..

M a-

Sluiten