Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 311

het is wat anders, de gegrondheid van eenig gevoelen aan te toonen, en wat anders, het denkbeeld, dat wy ons van iets vormen, door klem van voor-en tegenredenen , te verdedigen. . . Zeg my voor de vuift heer Cardan; meent gy het van harte, als gy u, gelyk gy reeds een en andermaal gedaan hebt, myn vriend noemt, en in myne vriendfchap eenige waarde zegt te Hellen ?

Cardan. Dat meen ik uit grond van myn hart.

Crates. Dan vorder ik, dat gy op myne vraag, of gy, uit een Godsdienftig beginfel, zo fterk voor uwe kerkyvert, met ronde woorden, antwoordt. Ik maak nu gebruik van het recht der vriendfchap. Cardan.

Wel ja. . . Crates. Ja ? .. Gy zegt ja!. . ö Myn heer! . . De

alles zien de de alleshoorende is,

overal zynde, ook in onze harten tegenwoordig. Hy weet wat wy denken, en hoort wat wy zeggen. Wie weet, wanneer het hem zal welgevallen , ons van onze woorden rekenfchap te vorderen in eene meer onmiddelyke tegenwoordigheid, dan heden!!

Cardan, (eene gedwongen vrolykheid aanneemende.) Nu, nietpreeken, myn vriend, niet preeken... Zo gy denkt, dat ik geen ja had behooren te zegV 4 gen,

Sluiten