Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TOONEELSPEL. 377

Cardan, (hem het papier voorhoudende.) Kunt gy dan uwe hand ontkennen,? . . Zie ... hebt gy dit niet gefchreeven ?

Kleon, (het papier met zichtbaareverontwaerdiging inziende.) Wel neen ik. . . Het is even zo weinig myn fchrift als de inhoud het werk van myn hart of reden is.

(tegen Alexandrine.) Nu begryp ik de reden uwer verfmaading. My laag genoeg onderftellende, om zo fnood een voorftel te doen, gaf u het grootfte recht, om my te verachten en te verfoeien; maar my zo laag te on* derltellen, dit Alexandrine had ik van u niet verwacht.

Alexandrine. Myn vader en dit gefchrift Kleon . .. ó Dat gy my van een ongegrond en ftrafwaerdig vermoeden mogt kunnen befchuldigen!

K l e 0 n. Dat kan ik en dat doe ik. ..

(tegen Cardan.) Geef den opfteller van dit vuig gefchrift, zyn ellendig ontwerp te rugge. Ik fchaam my, dat een man als gy myn heer een vriend van myn vader — iemant, die my vooreen man van eer hieldt, heeft kunnen denken, dat ik bekwaam ware tot zo vuig eene wandaad. . . En het verwondert my, dat een regent des lands, die gy zyt, een man zonder beAa 5 gin-

Sluiten