Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

99 OTHELLO.

Jago.

Wat voor oen neusdoek? — Emilia.

Wat voor een neusdoek ? — ziet dan , die de Moor het eerfte aan Desdemona gaf; en welke gy my telkens aanraadde om te üeelen.

J aoo.

Hebt gy hem geftoolen?

Emilia.

Neen, maar zy liet hem onvoorziens vallen; en wyl ik by geluk daar by was, zo nam ik hem op; «ie bier is hy.

Jago.

Gy zyt een braaf Wyf. —— geef hier. Emilia.

Wat zult gy daar mede doen ? is daar zo veel aan geleegen geweest, dat ik hem wegpakken moest.

Jago, (de Zakdoek voeg bergende.) Wat raakt U dat.

Emilia.

Hebt gy niets gewigtigs daar mede voor, zo geef hem my weder, die arme Vrouw, zy zal gek worden, wanneer zy hem vermischt.

Jago.

Doet, even of gy niets daar van weet. ik heb hem noodig,ga, laat my alleen. (Emilia vertrekt, Jago'blyft alleen.) ik wil deze neusdoek in Cas» fio's wooning verliezen , en hem die vinden laaien. Kleinigheden, zo ligt als de lucht, zyn voor de Jaloerfchen zulke fterke bewyzen , als Spreu. ken uit den Bybel. dit kan dus reeds iets afdoen, het vergift dat ik den Moor toegebragt heb begint reeds te werken, kwaaddenkende inbeeldingen zyn even als vergift, dat men in het begin om den fmaak niet wel erkennen kan , maar dat echter daarna, zo ras het in 't bloed overgaat,, als een Zwaavelmyn brandt ■ dus zag ik wel.' >. ' Zie daar komt hyj — geen klaproozen , noch Mandragora, noch alle die flaapmiddelen der Wae*

ield,

Sluiten