Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSFÈIf. 137

gantfche ligchaam fchuddea. — dat zyn voorbedui, dingen; echter hoop ik — ik hoop, dat zy rny niet en gelden.

Othello. , Zwyg, en wees ftil.

Desdemona. Nu goed; wat begeerd gy dan t

Othello. De Neusdoek, die my zo waard was, en welken ik U gaf, gaaft gy aan Casfio.

Desdemona. Neen, waarlyk, by myne Ziele niet; Iaat hem roepen, en vraagt het bem.

Othello. Verharde Ziel l hoed U, hoed U voor valfche Eeden; gy zyt op uw doodbedde.

Desdemona. Ja, echter niet om nu al te fterven.

Othello. Ja, terftond. dus beken uwe Zonden oprecht; want wanneer gy eike enkle euveldaad zelf met eenen Eed loogchenen wilt; zo. kan my dat de fterke overtuiging nog niet beneemen, of verftrikken onder het geene ik gevoel, gy moet fterven. D esDemona. ( Hemel/ ontferm U myner/ Othello.

Ik zeg. Amen.

Désdemona. En ontferm U ook! —• ik heb U noöit belee»digt; heb nooit Casfio bemind dan met eene algemeene liefde, welke de Hemel zelfs billykt envor* dert. nooit gaf ik hem eene gedachtenis.

Othello. By den Hemel ! ik zag myn Neusdoek in zyn hand! ——— ó Jtfyneedig Wyf; gy verfteend uw hert. (bb) en maakt dat ik dat, het geen ik thans

doen

{bh) Naar eene oude Leezing die Johnson voor

de

Sluiten