Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

160 OTHELLO.

het gerucht was groot — ha ! gy verroerd Ü niet meer. •—. ftil, als het Graf.-— Zal ik haar hier inlaaten ? — zou dat gaan ? — my dankt zy roerd zich weder. ——. neen — wat is het

beste? Zo zy 'er inkomt, zal zy zeker met

myn Vrouw willen fpreeken. — myn Vrouw myn Vrouw.'- .. wat vooreen Vrouw? ik heb geen Vrouw.'— d onverdraaglyk.'ó fchrikkelyk Uur.' — thans dunkt my eene groote duisternis aan Zon en Maan te zyn , die de verfchrikte Aardkloot af zoekt te wenden!

Emilia, (buiten aan de Deur.) Ik bid U.maar een paar woorden! ó Myn waar» den Heer/

Othello.

Ik had U vergeeten ; kom in Emilia

wagt —— op 't oogenblik . ia moet eerst

de Gordynen toedoen. — waar zyt gy ? , mt wilt gy hebben ?

(Hy tntjtuit de Deur.) AGTS.TE TOONEEL.

E m i l i a. De voorigen. Emilia.

Ach / Myn Heer , daar is een ysfelyke Moord begaan.

Othello.

Hoe.' thans?

Emilia. Zo even, Myn Heer!

Othello. Dan heeft de Maan de fchuld. zy komt de Aardkloot nader als zy voormaals plagt; en maakt de Menfchen verrukt. „

E mi-

Sluiten