Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

JCi5 OTHELLO*

montano.

Een affchuwelyke daad!

Emilia.

Boevery/ boeveryl— ik denk deze zaak eens na. ■. - ik merk haar. — ó! Scbelmery! — ik dacht terftond / — ó, ik zou my van kwaadheid dooden.'-—. ó Schelmery! Schelmery!

Jago.

Wat' zyt gy dol? ik zeg U, gaat naar huis. Emilia.

Vergun my Myne Heeren, dat ik fpreeken mag. ik ben hem dikmaals gehoorzaamheid fchuldig, maar nu niet. — mogelyk, Jago, ga ik nooit weder riaar huis.

Othillo, (terwyl by bet dooie lig. , , (baan aanziet.')

Ach! Ach! Ach!

Emilia.

Ja, legt U daar nu by neder, en brult! want gy hebt de lievenswaardigffe onfchuld gedood, die ooit een oog opgeflaagen heeft.

Othillo. 6- Gy waard lasterend! — ik erkenne U thans eerst, Oomen-' — hier ligt uwe Nicht, wier Adem zekerlyk door deze handen zo even eerst is opge. houden, ik weet het, deze daad, heeft een duister en fchrikkelyk aanzien.

Gratiano. Arme Desdemona > ik ben verheugd dat uw Vader dood is; uw huwlyk was zyn dood, en loutere gramfchap verkorte zyn oud leven, indien hy thans nog leefde, zo zou hem dit gezicht in vertwyffeling ftorten • zyn goeden Engel zou van zyne zyde wegvlieden, en in eenen verdoemeiyken toeftand geraaken.

Othello. Het is beklaagenswaard; maar Jago weet, dat zy haare fchandeJyke lusten met Casfio wel duizendmaal

Sluiten