Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

historiespel; 241

Falstaff. Zeven, by myn degen; of ik ben een fpitsboef.

Prins Henrik. ó Laat hem maar begaan; daar zullen 'er ZO aanftonds nog wel meer uitkomen.

Falstaff. Hoort gy my. Hal.' ,

Prins Henrik. Ja, en geef 'er acht op, Hans.

Fals t & f f. Zeer goed ; het verdiend ook wel dat gy daar op merkt, deze negen Kareis in ftyfiinnen kledeien,

waar van ik u zeide

Prins Henrik. Zo, al weêr twee meer.

Falstaff. Toen zy zagen dat haare klingen ftuk gébroo. ken waaren, begonden zy te rug te wyken; maar ik vloog hen met handen en voeten op 't lyf, en in een ommezien lagen 'er zeven van de Elf op den grond.

Prins Henrie. Dat is ontzagchelyk / — Elf ftyfiinnen kaerels zyn 'er uit twee gekomen.

Falstaff. Maar toe voerde my de Duivel drie vervloekte Schurken, in 't groen gekleed, op den rugge, die my helder afdekten; want het was zo donker Hal, dat men geen hand voor de oogen zien kon. Prins Henrik. Deze logens zyn. gelyk de Vader die ze ver. teld, zo groot en dik als een Berg,- en ook voelbaar en handtaftelyk. — hoe.' gy logenachtige Hans Worft; gy oude Schaapskop; gyverwenfchte ftneerige Talkklomp!

Falstaff. Hoe zyt gy dol ? zyt gy dol? is waarheid geen waarheid ?

III. Deel. Q Prins

Sluiten