Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

982

HENRIK de VIERDE

Falstaff. Wel nu, die is vifch noch vleefch; men weet niet regt waar hy te krygen is.

Waardin Gy doet my onrecht, wanneer gy dat van my zegt, gy en iedereen weet wel waar ik te krygen ben; Jou flegre kaerel.'

Prins Henrik. Gy hebt recht; Hospita, hy beliegt u groffelyk.

W a a r d i n.

En u ook, Milord; hy zei korts geleeden nog, dat gy hem duizend pond fchuldig waart.

Prins Henrik. Kaerel, ben ik u duizend pond fchuldig ?

Falstaff. Duizend pond , Hal ? — een Millioen. uwe vriendfchap is een Mü'ioen waardig: gy zyt my uwe Vriendfchap fchuldig.

Waardin. Ja, Milord, en dan t noemt hy u Hans Domper, en zegt dat by u af wil kloppen.

Falstaff. Heb ik dat gezegt, Bardolph?

Bardolph. Zekerlyk, hebt gy, Sir John?

Falstaff, Nu Ja , wanneer gy zei dat myn ring Koper was.

Prins Henrik. Ik zeg, dat hy Koper is. Durft gy nu nog uw woord houden.

Falstaff. Och' Hal, gy weet wel in zo verre gy een bloot Menfch zyt,dat ik daar harts genoeg toe heb; maar in zo verre gy Prins zyt, vrees ik u, gelyk ik het brullen van een Leeuwenbroeizel vreeze.

Prins Henrik. En waarom niet , gelyk dtn Leeuw zelve?

Fal-

Sluiten