Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

35<5

De DWAALING.

ZESDE TOONEEL.

Adriana, Luciana, de voorigen

Adriana. ja, Ja, Antipholis, zie 'er maar onvriendelyk en verdrietig uit; eene andere beheerfcherefie heeft alleen uw vriendelyk aanzien: ik ben Adriana niet meer, uw beminde vrouw, daar is een tyd geweeft , dat gy onverzogt , my zwoer , geen woorden waaren Muziek voor uwe ooren, indien ik niet fprak; geen voorwerp beviel aan uwe oogen, indien ik u niet aanzag; geen gevoel was aan uwe handen welkom , indien ik u niet aanraakte; geene fpyze kon uwen fmaak voldoen, indien ik u dezelve niet voorleide. Doe komt het, thans dan myn, Gemaal/ ol zeg my, boe komt het, dat gy zo vervreemd tegens u zelf geworden zyt? ik noem het tegen u zelve, daar gy het tegens my zyt, die op zo eene onwederftaanbaare wyze opu. verliefd ben , dat ik beter dan het befte deel van u zelfs ben. ó, ruk u niet van my los, want gy kunt eerder een druppel water in het diepfte der Zee laaten vallen , en onvermengt van anderedruppelen, zonder meerder of minderheid weder te rug neemen. hoe! zou het u niet in uwe ziele imerten , wanneer gy hoorde, dat ik van myn plicht week, en dat dit reine ligchaam dooronkuifche tuften bevlekt werd. Zoud gy my niet aanvalie; niet met voeten ftooten , en my den naam van eene Echtbreekfter in 't gezicht werpen, en de bevlekte huid van myn Hoerenhoofd rukken? van myne trouwlooze hand, den Trouwring afrukken, en hem met eene bezweering van eewige fmarte verbreeken.' *—. ik weet gy kunt het, dus volbrengt het ook! — ik ben met een Echtbreekend Brandyzer getekend; myn bloed is met de onreinigheid der ontucht vermengd, want,

wan-

Sluiten