Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Jf L T S P E L. 4-Ü

Ds o mi o van Syrakufa, Myn Heer, ik ben Dromio, laat my dus maar heen gaan.

Dromio van Epbefen. Myn Heer, ik ben Dromio, laat my dus maar hier blyven.

Antipholis van Syrakufa. Zyt gy Aegeon, Myn Vader niet? of zyt gy zyn geeft?

Dromio van• Syrakufa. ö.' Myn waarden Ouden Heer? — wie heeft U zo gebonden.

Abdisse.

Wie hen ook gebonden mag hebben, ik wil zyne banden losfen, en door zyne Vryheid een Echtgenoot herwinnen. Zeg eens, oude Aegeon. of gy die Man zyt, die eens een Vrouw, namelyk Amelia had , welke U in éénmaal twee Zoonen baarden? «ach ! indien gy deze Aegeon zyt,zo fpreek met dezelve Amelia.

Salinus.

Ha! hier begint de Gefchiedenisfe die hy dezen Morgen verhaalde, zich te ontzwagtelen: deze twee Antipholisfen , en deze twee Dromio's zyn beide Broeders, die men Biet van elkander kan onder« fcheiden. Daar toe beroepen zy zich, op haare Schipbreuk. Hier zyn denkelyk de Ouders van deze Kinderen , en het noodlot brengt hen heden te faamen.

Aegeon.

Indien ik niet en droome, zo zyt gy Amelia, en zyt gy dat, zo zeg my, waar is uw Zoon. die met U op eene ongelukkige wyze met de Boot weg fpoelde.

Abdisse.

Hy en ik, en de Tweeling Dromio, werden alle van Ëpidamners opgevifcht ; maar kort daar op , naamen flegte Visfchers van Corinthea mynen

Zoo»

Sluiten