Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

428 De DWAALING.

Zoon en Dromio met geweld af, en my lieten zy by die van Epidamnen, Wat bier na van hen geworden is kan ik niet zeggen, ik ben in dezen toe» ftand geraakt, waar in gy my heden bier zier. Salinus tegen Antipholis van Syrakufa, Antipholis I gy kwaamt het eerft van Conmhen hier ?

Antipholis van Syraknfa; Ik niet , Grootmoogend Heer, ik kwam van Syrakufa.

Salinus.

Wagt eens, gaat een weinig ter zyde; ik ver. wisfel U telkens met elkander.

Antipholis van Ephefen. Ik kwam van Corinthen, Myn Heer.

Dromio van EphefenEn ik met hem.

Antipholis van Ephefen. Van den beroemde Held, den Hertog Menapho* uw Eerwaaidigen Oom, werd ik in de Stad gebragt. Abria na. Wie van U beiden heeft dan dezen Middag by my gegeeten?

Antipholis van Syrakufa. Ik, myn waarde Adriana.

Adriana. . Gy zyt dus myn Man niet?

Antipholis van Ephefen. Neen, dat fpreek ik tegen.

Antipholis. ïk ook, fchoon gy my toe zo noemde, en dat fchoone Vrouwtje uw Zufter, my broeder noemde (tegen Luciana.) Het geen ik U toe gezegt heb' durf ik openlyk beveftigeö, indien het geen ik zié en hoor flegts geen droom is.

Angélo.

Dit is de Keten Myn Heer, die gy van my bekomen hebt.

An.

Sluiten