Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i6 MARCUS ANTONIUS en CLEOPATRA;

Cleopatra.

Inderdaad ?

M a r d i a n.

Neen, niet inderdaad, Mevrouw; want ik kan niets doen dan dat in alle eerbaarheid mag ge« daan worden ; maar echter heb ik fterke aandoeningen, en overdenk niet zelden wat Mars met Venus toch mag gedaan hebben.

Cleopatra.

o, Charmian, waar denkt gy , dat by nu is ? Staat hy , of zit by ? Of gaat hy ? Of zit hy te paard ? o Hoe gelukkis is het paard , dat Antonius draagt! Houd u dapper , edel paard ! weet gy wel wien gy draagt ? Gy draagt een' Atlas op wien de halve waereld rust, den arm en den helm van het menfchdom. Nu roept , of zegt hy in zichzeiven; „Waar is myne Hang van den overouden „ Nyl?" (want dus was hy gewoon my te noemen..) Thans voed ik my zeiven met een allerbekoorlykst vergif. Denk aan my , die door da verliefde oogftraalen van Phoebus bruin, en door den tyd gerimpeld ben- geworden. Kaalhoofdige Casfar, toen gy deezen grond betrad, toen was ik nog een lekker brokje voor een' alleenheerfcher; en de Groote Pompejus deed zyne oogen in myn voorhoofd wortel fchieten ; daar fcheenen zyne oogwenken te ankeren ; en daar fcheen hy door het aanfchouwen van zyn leven te fterven. (/f/e. xas treed binnen.)

Alexas.

Heil zy u, Opperheerfcheresfe van Egypten.' Cleopatra.

Hoe weinig gelykt gy naar Antonius .' Schoon uwe komst van hem als een groot tovermiddel u heheel verguld heeft door haare aantrekkingskracht. Hoe ftaat het met myn' dapperen Anto* nius? . .. i i

Ale«

Sluiten