Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34 MARCUS ANTONIUS en CLEOPATRA.

Antonius. Gy neemt de zaak verkeerd op; myn broeder heeft my in deeze daad nimmer betrokken. Ik heb hier naar vernomen, en bericht van alles gekregen door lieden, die het zwaard voor u getrokken hebben. Heeft hy niet veeteer myn gezag te gelyk met het uwe in minachting gebragt, en tegen myn' zin dien oorlog aangevangen, onzer beider zaak even zeer haatende ? Nopens dit alles hadden myne brieven u behooren gerust :e ftellen. Derhalven, zo gy eene rede van twist zoekt, moet gy, naardien in dit geval niets gelegen is, dat daartoe aanleiding kan geeven, dit niet aannaaien.

C je s a k .

Gy pryst u zeiven door my gebrek aan oordeel toe te fchryven; maar gy bedient u van gezochte uitvluchten.

Antonius. Neen, neen, dat is niet zo; ik weet, dat gy de gedachte niet ontkennen kunt, en hiervan ben ik verzekerd, dat ik, de voornaamfte deelgenoot in da zaak , die hy beftreed , met geene onverfchillige oogen dien oorlog kon aanzien, welke myne eigene rust verftoorde. Wat myne vrouw betreft, ik zou wel wenfchen , dat gy eene had , die door denzelfden geest gedreven wierd. Het derde deel der vvaereld is het uwe , dat kunt gy met den ligtften teugel dwingen,maar zodanig eene vrouw niet.

Ahenobarbus. Ik zou wel wenfchen, dat wy allen zulke vrouwen hadden, opdat allen de mannen met hunne vrouwen mogten te veld trekken.

AntoniUs. Haare grilligheden, Cajfar, waren zo onbuigzaam, dewyl die fprooten uit haar ongeduld, hetwelk daarenboven gantfch niet ontbloot was van ftaatkunde, dat die, dit moet ik met leedwezen bekennen, u ze.

ker.

Sluiten