Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

44 MARCUS ANTONIUS en CLEOPATRA.

pERDE TOONEEL.

Antonius, en een Wichelaar.

A n toni u s. Welnu, kameraat, wensrht gy ook weder in Egypten te zyn

Wichelaar Ik wenfchte weldat ik nimmer daarvandaan , of gy hiernaartoe gekomen waart.

AntoniusGeef my rede daarvan, zo gy kunt.

Wichelaar. De goddelyke inblaazing leert my dit, maar myne tong kan het niet uiten; maar fpoed u we» «Ier naar Egypten.

Antonius» Zeg my; wiens geluk zal hooger ftygen, het myne of dat van Caefar?

Wichelaar. Het geluk van Casfar; — derhal ven bid ik u, o Antonius, kies zyne zyde niet. Uw Dmmon, die geest van u, welke u regeert, is edel,dapper, verheven, onnavolgbaar,daar die van Casfar zulks niet en is. Maar wanneer hy hem nadert dan word u fchutsengel enkel vrees, dewyl hy over. magtigd is, daarom maak dat 'er fteeds genoegzaame tusfchenruimte tusfchen u beiden blyft. Antonius. Zeg dit niet meer.

Wichelaar. Tegen niemand dan u, en niet meer dan eens. — Welk fpel gy ooit met hem zult aan. vangen, wees verzekerd, dat gy altoos verliezen zult; en door zyn natuurlyk geluk Haat hy u overal, in weêrwii der ongelykheid; uw glans word beneveld , wanneer hy denzelven befchynt. Ik zeg het Mogmaals, uw geleigeese is fteeds bevreesd om u

te

Sluiten