Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

51 MARCUS ANTONIUS en CLEOPATRA.

meïn, edele Biufus, met de overige gewapenden, dienaars der bekoorlyKe Vryheid , om bet Capitpoï (met bloed) te drenken, wat anders, dan één man, maar inderdaad een man ? En dit zelfde is de oor» zaak, waarom ik eene vloot uitgerust heb, onder wier gewigt de vertoornde Oceaan opbruischt, waarmede ik de ondankbaarheid dacht te ftraffen, welke het fpytig Romen aan myn' doorluchtigea Vader betoond heeft.

C je s a r.

Gaa uw' gang.

Antonius. Pompejus, uwe zeilen kunnen ons niet be» vreesd maaken. Wy zullen op zee met elkanderen fpreeken. Gy weet, hoeverre wy u te land overweldigen.

Pompejus. Te land, ik beken het, hebt gy myns Vaders huis overweldigd. Maar, dewyl de koekoek niet voor zichzelven bouwt, moogt gy daarin blyven zolang gy kunt.

Lepidus.

Wees zo goed, en zeg ons voor het tegen* woordige; hoe neemt gy de aanbiedingen op, die wy aan u gedaan hebben ?

Cjesab. Dit is de hoofdzaak.

Antonius. Waartoe gy niet moet overgehaald worden, maar onderzoeken of dezelve verdient aangenomen te worden.

C je sar.

En welke gevolgen het zou kunnen hebben naar meer vermogen te ftaan.

Pompejus. Gy hebt my Siciliën en Sardiniën aangeboden, onder voorwaarde, dat ik de zee van roovers zob auiveren , en jaarlyks eene bepaalde hoeveelheid

koon

Sluiten