Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

58 MARCUS ANTONIUS en CLEOPATRA.

Ahenobarbus. Ik ben genegen om een' ieder* te pryzen , die my pryst; fchoon niemand ontkennen kan hetgeen ik te land gedaan heb.

Menas.

Of ik te water.

Ahenobarbus. Echter is 'er iets, dat gy wel moogt ontkennen voor uwe eigene veiligheid; Gy zyt een groote roover op zee geweest.

Menas. En gy op het land.

Ahenobarbus. In dat geval ontken ik myn' Ianddienst; maar, geef my uwe hand, Menas. -Indien uwe oogen daartoe volmagt hadden, dan zouden zy hier twee dieven kunnen vinden, die eikanderen omhelzen. Menas.

De aangezichten van alle mannen zyn oprecht; hoe ook hunne handen moogen zyn.

Ahenobarbus. En evenwel is 'er niet eene fchoone vrouw (te vinden ,) die een oprecht aangezicht heeft. Menas.

(Dit is) geen kwaadfpreeken; (want) zy, ftee« Jen harten.

Ahenobarbus. Wy waren hier gekomen om u te bevechten. Menas.

Wat my betreft, het doet my leed, dat het op drinken uitgelopen is. Pompejus zal deezen dag zyn geluk weglachen.

Ahenobarbus. Zo dat gebeurt, dan zal hy het nooit weder terug kunnen fchreijen.

Menas.

Gy hebt zo even gezegd, Mynheer, dat wy

Anton

Sluiten