Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL.

73

dewyl ik u ken , zou durven verzekeren , dat gy zyn zult. Edelfte Antonius, laat dit pronkftuk van deugd, dat tusfchen ons beiden gefield is als de gronditeun onzer vriendfchap om die duurzaam te doen zyn, nooit de ftormram worden om derzelver burg te beftormen; want dan zouden wy misfchien beter vrienden geweest zyn zonder dit middel, indien het niet yan beide kanten even zeer bemind wierd.

Antonius.

Beleedig my niet door uw wantrouwen. Cjès ar.

Ik heb uitgefproken.

Antonius.

Gyzult, hoe naauwkeurig gy (myn toekomend gedrag) ook onderzoekt, geen het minfte zweemfel vinden van hetgeen gy fchynt te vreezen. —— Das de Goden u in hunne heilige hoede neemen.ende harten der Romeinen beweegen tot het bevorderen van uwe oogmerken! Hiermede zullen wy fcheiden.

CjES ar.

Vaarwel, myne allerwaardfte Zuster, vaarwel! Laaten de elementen u gunftig zyn, en aan allen uwe levensgeesten moed inftorten! Vaarwel! Octavia. Ach, edele Broeder.'

Antonius. De April is in haare oogen; het is de lente der liefde, en dit zyn de regendroppen, die dezelve moeten doen ontluiken. Wees welgemoed. Octavia. Waarde Broeder, draag zorg voor het huis van myn' Gemaal, en. . .

C JE SAR. Wat meer, Octavia?

Octavia; Ik zal het u in het oor zeggen.

>ï 5 AJt-

Sluiten