Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74. MARCUS ANTONIUS en CLEQPATRIA.

Antonius. Haare tong weigert haar hart te gehoorzaamen, en haar hart kan haare tong niet onderrechten ; zo ftaat het zwaanendons tegen den zwellenden fpting. 'vloed, en neigt noch naar de eene, noch naar de andere zyde.

Ahenobarbus. Zou Caefar beginnen te fchreijen?

Agrippa. Een nevel verfpreid zich over zyn gelaat.

Ahenobarbus. Hy zou daar des te erger om zyn zo hy een paard was, hoeveel te meer, nu hy een man is.

Agrippa.

Waarom, Ahenobarbus? Toen Antonius Julius Casfar vermoord zag, fchreide hy tot brultens toe; ook fchreide hy toen hy by Philippi Brutus verflagen vond.

Ahenobarbus. ' Dat jaar inderdaad was hy met zinkingen gekweld ; hy beweende hem, tfien hy met vermaak had helpen vernielen. Geloof dat, tpt dat ik ook zal fchreijen.

C.-esar,

Neen, waarde Octavia, gy zult geftadig tyding van my ontfangen, de tyd zal myn aandenken aan u niet overmeefteren.

Antonius.

Kom aan, Mynheer, kom aan! Ik zal my bëy> veren om u in betooning van genegenheid te overtreffen. Zie, dus heb ik u (in myne armen,) en dus zal ik van u fcheiden, en u aan de (befcherBung der) Goden overgeeven.

Cs sar.

Vaarwel, wees gelukkig!

Lepidus.

Laaten allen de hemellichten hunnen glans langs een' gebaanden weg voor u verfpreiden!

Ca.

Sluiten