Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

U MARCUS ANTONIUS szr CLEOPATRA.

C je sar.

Ach.' Moest ik u dan ook eene verftotene (vrouw) noemen!

Octavia. Gy hebt my nog nooit zo genoemd, en ook hebt gy tot dus verre geene rede daartoe.

Cs sar.

Waarom komt gy dan dus fteelsgewyze tot ons terug ? Gy komt niet als de Zuster van Casfar; de Gemaalin van Antonius moest een heirleger tot haare voorboden hebben, en het gebriesch der paarden moest, reeds lang vóór haar verfchynen, haare aannadering melden. De boomen aan den weg behoorden menfchen te draagen, en de ve ï, wachting zou moeten flaauw geworden zyn van verlangen 'naar hetgeen zy nog niet bezat. Zelfs het ftof, dat door uwe talryke benden opgeheven wierd, behoorde tot het gewelf des hemels gerezen te zyn; maar nu zyt gy als eene marktgangfier in Romen verfchenen; en hebt dus de blyken van onze genegenheid te leur gefteld, die ongetoond dikwyls ongeacht zyn; wy moeiten u ter zee en te land te gemoete zyn gegaan, en u by elke nadere rustplaats meer en meer begroet hebben. Octavia.

Myn waarde Heer, ik ben niet genoodzaakt ge-" weest om dus bier te komen, maar ik heb zulks uit myne eigene verkiezing gedaan. Myn Heer Marcus Antonius, hoorende, dat gy u ten oorlog uitrustte, heeft alles aan myne droevige ooren bekend gemaakt; en daarop heb ik myne terugkee» ring herwaarts van hem verzocht.

C£ sar.

Die hy fchielyk toegeftaan heeft, omdat gy een hinderpaal zyt tusfchen zynen' wellust en hem. Octavia. Zeg dit niet, Mynheer.

Cje-

Sluiten