Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

l38 MARCUS ANTONIUS en CLEOPATRA.

tonius kon verwinnen dan Antonius; maar, wee! dat dit zo is.

Antonius. Ik moet fterven, (Koningin van) Egypten Ik moet fterven ; ik laat de dood thans üechts een weinig op my wachten, tot dat ik den armen laaf ften kus van zoveel duizend kusfen op uwe lippen zal gedrukt hebben- —

Ik durfniet, my" waarde, myn allerwaardig Heer, uit vrees van gevangen te worden, vergeei het my- De trotfcnè zegenpraal van Oefar zal door my „iet verfierd worden; zolang dolken, gifdranken of (langen, nog fcherpte, kracht, ot angei hebben, ben ik behouden- ^we huisvrouw Octavia met haar zedig gelaat, en ftille bedaardhe d zal nimmer de eer genieten van met eene gemaakte zedigheid op my neder te zien. Maar kom, kom hier! Antonius, helpt my, myne ftaatjuffers. Wy zullen u optrekken, — helpt gy ook, vrienden. Antonius.

Ach! fpoed u dan, of ik leef niet meer, Cleopatra.

Een vreemd geval! — Hoe zwaar weegt myn Heer.' Alle onze kracht is zwaarte geworden, en dit maakt hat gewigt. Indien ik het gezag had van de groote Juno, dan zou de fterkgewiekte Mercurius u opvoeren, en u plaatfen aan de zyde van Tupiter. — Maar, nog een weinig. — Wenfchen zyn enkel dwaasheid, o Kom, kom, kom - (Ay trekken Antonius op.) en, welkom! welkom/Sterf, daar gy geleefd hebt, en verkwik u met kusten. Indien myne lippen dat vermogen hadden, dan zou ik die zó wenfchen te verflyten.

Allen.

o Droevig fchouwfpel.

An.

Sluiten