Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL.

143

Dercetas. ik zeg: o Ca5far, Antonius is overleden.

C^sar.

De val van zo groot een' man moest grooter ge» rucht gemaakt hebben. De geheele waereld moest, door eene aardbeving, leeuwen in de burgerlyke ftraaten gedreven hebben, en de burgers in hunne kuilen. De dood van Antonius is geen enkel' voudig verlies, in dien naam legt de helft van de waereld opgefloten.

Dercetas.

Ik zeg u, Caïfar, hy is dood, niet door de hand van een' dienaar des Gerechts, of niet door een' omgekochten dolk;' maar dezelfde hand, diehaaren roem door haare daaden befchreef, heeft, aangefpoord door den moed , die het hart haar mededeelde, dat hart doorfneden. Zie hier zyn zwaard,ik heb het uit zyne wond gerukt; befchouw het, nog bevlekt met dat zo edel bloed.

C 2e s a r»

Gy ziet droevig? myne vrienden. -■ — De Go. den ftraffen my , zo dit geene tyding is om de oo» gen van Koningen (in traanen) te baaden! Agrippa.

En het geen vreemd is, is dit, dat de natuur ons dwingen moest om ons voornaamst oogmerk te bejammeren.

Mec jë n a s. Zyne deugden en ondeugden waren gelyk met elkandere.

Agrippa.

Geen edeler geeft heeft ooit een'mensch beflierd; maar gy, o Goden , gy legt eenige gebreken in ons, om ons menfchen te doen zyn. Caïfar is aangedaan, M e c je n a s.

Wanneer zulk een groote fpiegel voor hem gezet word, dan moet hy noodzaaklyk zichzelven zien»

Cm sa Mé

Sluiten