Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

i84 AANMERKINGEN or M. ANTONIUS

genaam de droefgeeftige fchoonheid van deeze edele alleenfpraak te zien uitloopen op een zo vergezocht, en zo onaaadaenlyk denkbeeld.

De. Johnjon. Pag. 128- Reg. i6, 15, 14. (van onderen)

word als een vreemd monfterdier ter befcbouwing ten toon gefield aan de nietwaerdigfie fcbepfelen; aan zotten;

Dr. Thirlby, Dr. Wasburton, en Capell leezen in de plaats van het woord dolts (zotten,) doits (duiten) en dan zou de zin hierop uitkomen : „ word als een vreemd monfterdier ter befchou„ wing ten toon gefteld voor de nietwaerdigfie beu. „ zelingen, voor duiten ," do:h Theobald heeft de oude leezing behouden, en , dewyl die ook zeer wel beftaan kan, heb ik dezelve insgelyks gevolgd.

Vertaaler.

Ibid Reg. 5. 4. (van onderen.)

„ Laat my Lycas aan de hoornen der maan op„ hangen "

Dit denkbeeld heeft de Dichter waarfchynlyk overgenomen uit Seneca. In deszelfs Hercules 1 Oetaus, AS. III. Sc. 2. zegt Hyllus van de dood Van Lycas tegen Dtlanira fpreekenrfe:

In ajlra misfus fertur , £f? nubes vago Spar git cruore; — „ Wegge flingerd vloog hy op tot deftarren, „ en befprenkelde de wolken met de fpatten „ van zyn bloed; "

Vertaaler. Pag. 130» Reg. 7, 6, 5. (van onderenf)

„ Zy , Eros, zy beeft met Ccefar de kaarten ge„ mengd, en valfcbelyk myn' roem op zyn' triurtif ,, wegge/meten."

Shakespeare heeft zich in deeze verbloemde fpreekwyze aan drie misdagen fchuldig gemaakt. Vooreerst, in den tyd; want ten tyde van M. Antonius was het kaartfpel nog onbekend- Ten tweede»

Sluiten