Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

*i4 RICHARD de II. KONING van ENGEL;

de Koningin. Hoe vaart onze edele Oom Lancafter?

K. Richard, Hoe gaat het Oom ? Hoe is het met den ouden Gaunt ?

Gaunt.

o Hoe wel voegt thans myn naam aan mynen toeftand! Ja, wel oude Gaunt, en uitgeteerd door ouderdom ; de droefheid heeft in myn hart een langwylig vasten ingefteld, en by, die zich onthoud van eeten , word die niet uitgeteerd ? Ik heb langen tyd gewaakt voor het flaapende Engeland , eu het waaken veroorzaakt magerheid, en mager, heid is enkel uitgeteerdheid ; het vermaak , waar van andere Vaders zich voeden, is voor my een geftreng vasten; ik meen het gezicht van myn Kind, en door my daarin te doen vasten hebt gy my uitgeteerd gemaakt; ik ben uitgeteerd voor het graf, en uitgeteerd als een ledig graf, welks holle buik niets bevat dan koude beenen.

K. Richard. Kunnen zieke menfchen zo geestig met hunne naamen fpeelen?

Gaunt.

Neen , de elende fchept vermaak in met zich zelve te fpotten; dewyl gy tracht myn' naam in my te dooden, fpot ik met myn' naam, groote Koning, om u te vleijen.

K. Richard. Moeten ftervende menfchen dan de levendigen vleijen ?

Gaunt.

Neen , neen ; levendige menfchen vleijen de ftervenden.

K. Richard. Gy, die thans ftervende zyt, zegt evenwel, dat gy my vleit.

Gaunt.

Sluiten