Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

H I S T O A I E-S P E L, ayf

Fl tz water.

Op myne eer, ik wenschte wel, dat het op dit oogenbiik mogt gefchiedejn.

Aumerle.

Fitzwater, hiervoor zult gy voor eeuwig in de hel verdoemd zyn.

Percy.

Gy liegt, Aumerle; zyne eer is zo zuiver in deeze befchuldiging als gy valsch zyt; en dat gy zulks zyt zal ik u bewyzen, daar legt myne handfchoen; dit zal ik Maande houden tot myn' laafften adem toe. Raap myn pand op, indien gy durft.

Aumerle. Zo ik dit niet doe, moeten myne handen afrotten, en nooit meer myn wreekend zwaard over het hoofd van myne vyanden zwaaijen.

Een andere Lord. Ik doe insgelyks een' eed, meineedige Aumerle; en tart u uit met zoveel leugens, als 'er van den eenen opgang der zon tot den anderen in uw verraaderlyk oor kunnen gegalmd worden. Daar legt het pand van myne eer, verbind my tot den tweeftryd, zo gy durft.

Aumerle. Wie wil my nog meer uitdaagen» By God, ik zal alles aanneemen- Ik heb nog duizend zielen in myne borst, om twintigduizend gelyk gy zyt ten antwoord te ftaan.

S URRt.

Mylord Fitzwater, ik kan my den tyd nog zeer wel herinneren, dat gy en Aumerle te zaamen gefproken hebt.

Fitzwater. Het is waar, Mylord, gy zyt daarby tegenwoordig geweest, en kunt getuigen, dat myn gezegde waarachtig is.

S a Sur-

Sluiten