Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4«o RICHARD de II. KONING vah ENGEL»

DERDE TOONEEL.

De Vooriaen, K. Richard, York.

K. Richard. Helaas! waarom word ik tot een'Koninggezon. den, vóór dat ik de* koninglyke gevoelens heb kunnen afleggen, waarmede ik geregeerd heb? Ik ■ heb nog naauwlyks begonnen te leeren my aan te beveelen, te vleijen, te buigen, en te knielen. Geef nog' eenigeu tyd aan de droefheid als myn op ziender om my deeze onderwerping te leeren. Thans kan ik my nog zeer wel te binnen brengen de wezenstrekken van allen deeze mannen; zyn zy niet allen myne (onderdaanen) geweest? Hebben zy niet dikwyls my toegeroepen: Heil zy u! gelyk Judas deed aan Chriftus? Maar hy vond onder twaalf ■Hen getrouw behalven één', en ik vind onder twaalfduizend niet één'. ——> God behoede den koningl Wil niemand Amen zeggen? Ben ik piiefter en klerk te gelyk? Welaan dan: Amen 1 God behoede den Koning ! fchoon ik het niet ben; en ook Amen, wanneer de Hemel my daarvoor haud. Om wat te doen ben ik hier gezonden ? York.

Om die vrywillige daad te doen, welke gy, den last der Opperheerfchappy moede, van zelf aangeboden hebt, te weeten, den afftand van uwen ftaat en kroon.

K. Richard. Geef my de kroon. — Kom, Neef, vat de kroon aan; hier, aan deeze zyde myne hand, en aan de overzyde de uwe. Nu is deeze gouden krooa selyk aan een' diepen put, die twee emmers heeft, waarvan de een den anderen vult; en waarvan de ledige fteeds in de lucht zweeft, terwyl de andere pmlaag onzichtbaar en vol water is > deeze emmer

om*

Sluiten