Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

305 RICHARD de II. KONING van ENGEL.

Die na a k. Dit deed hy. •

■*» E x t 0 n.

t En toen hy dit zeide; zag hy my met een veel» beduidend gelaat aan, alsof hy wilde zeggen: . Ik wenschte wel, dat gy de man waart, die deeze vrees van myn hart wilde fcheiden ; hiermede meen» de hy Koning Ricbard te Pomfret. Kom, laaten wy gaan; ik ben die vriend van den Koning, en hem van zyn' vyand verlosten.

TIENDE TOONEEL.

Eet Tooneel verbeeld de gevangenis op bet Kafteel van Pomfret.

K. Richard. (alleen") Ik heb overdacht, hoe ik deeze gevangenis zal vergelyken met de waereld; en dit tot nog toe niet kunnen doen; want de waereld is volkryk, en hier is niemand als ik alleen; en echter zal ik het nog eens beproeven. Ik zal myn verftand de vrouw van myn' geest doen zyn, en rnyn' geest den vader; en deeze twee zullen eene teelt van nog broedende gedachten teelen, en deeze gedachten zullen • deeze kleine waereld bevolken; van aart volkomen gelyk aan de volken van den aardbodem; want niet ééne gedachte is vergenoegd. Die van de beste foort, zoals de gedachten over Goddelyke zaaken, zyn vol van twyfelingen, en ftellen het een woord tegen het ander; als by voorbeeld: „ Komt tot „ my,kinderen!" en wederom integendeel: „Het „ is zo moeijelyk in te komen als voor een kameel „ door het oog van eene naald te gaan." Gedachten, die zich tot grooten ftaat uitftrekken, fmeeden onoploslyke wonderen; zoals, hoe deeze zwakke nagels een' doortogt moogen krabben door

de

Sluiten