Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

308 RICHARD de II.KONING van ENGEL.

deed den tyd, en nu verdoet de tyd my; want nu heeft de tyd my tot zyne flagklok gemaakt, myne gedachten zyn minuuten; die met zuchten aangefla» gen worden; myn oog is de wyzerplaat, waarop myn vinger , even als een wyzer, geduurig wy3t, wanneer die myne traanen afwischt; vervolgens is de klokflag , die te kennen geeft welk uur het is, niets anders dan luide verzuchtingen, die op myn hart liaan, dat de klok is; dus tekenen zuchten , traanen , en jammerklagten, de minuuten,deuuren, en de tyden van den dag. Maar myn tyd loopt te post voor de trotfche blydfchap van Bolingbroke, terwyl ik hier ftaa als zyn belachelyke klokkepop. De muziek maakt my krankzinnig, laat dezelve niet meer gehoord worden; want fchoon dezelve fom» tyds krankzinnige menfchen weder tot het gebruik van hun verftand gebragt heeft, fchynt het echter dat die, by my, een' wyzen man krankzinnig zou maaken. Gezegend echter zy de ziel van hem, die my dezelve verleent; want het is een teken van genegenheid , en genegenheid voor Richard is een zeldzaam juweel in deeze waereld, waarin een ieder my haat.

ELFDE TOONEEL.

K. Richard, een Stalknecht.

Stalknecht. Heil zy u, myn Koninglyke Vorst!

K. Richard. Ik dank u, edele Pair. De goedkoopfte van ons is nog wel tien grooten te duur. Wie zyt gy, en hoe komt gy hier? daar nooit iemand komt dan die donkerziende rekel, die my eëten brengt, om myn ongeluk nog langer te doen leeven.

Stalknecht. Ik ben een arm ftalknecht by u geweest, myn

Vorst,

Sluiten