Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

KONING van ENGELAND , HIST. SPEL. 327

Fitzwater wil hiermede zeggen in eene eenzaame plaats, daar geen mensch gevonden word, die my tegen Surry zou kunnen byftaan; zo zegt de Dichter ook in Macbeth:

0, Wees weder op nieuw levendig, en daag my uit in eene woeftyn met uw zwaard,

Dr. Johnson. Pag, 279. Reg. is, 14. (van onderen) » „ iet zy u aanbevolen hem wel te bewaaren, tot ,, den dag van zyn verhoor "

Al het overige van dit Bïdryf, dat achter deeze regels volgt is daar by gevoesrd, na de eerfte uitgaaf in het jaar 1598, en vóór de tweede uitgaaf in het jaar 1615. Een gedeelte van deeze byvoe- • ging is zeer gepast, doch daar is ook veel in, dat men zonder gelyk verlies zeer wel zou kunnen misfen. De Dichter heeft door dit fchouwfpel van Richard's onttrooning en vernedering het medelyden der aanlchouwers willen opwekken.

Dr, JohnsoN.

Pag. 280, Reg. 5, 4, 3, 2, 1. (vanonderen.) en

Pag. 281. Reg. 1, 2 3. „ Nu is deeze gouden kroon gelyk aan een' die„ pen put, die twee emmers heeft. waarvan de een „ den anderen vult; en waarvan de ledige fteeds in „ de lucht zweeft, terwyl de andere omlaag on-

zichtbaar en vol water is; deeze emmer omlaag, „ die met traanen gevuld is, ben ik; myn eigen leed „ opkroppende, terwyl gy in de hoogte ryst."

Deeze vergelyking laat zich niet gemaklyk overeenbrengen met het voorwerp derzelve, te weeten , de Kroon, en is ook juist niet zeer natuurlyk bygebragt- Hat best gedeelte derzelve is daar Richard den Overweldiger de ledige emmer noemt.

Dr. Jonhson. X + P'g*

Sluiten