Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B L Y S P E L. 341

Julia.

' Hoe, 'niets van Proteus, en wel van allen de anderen ?

Lucetta. Wel nu, dan zeg ik; dat ik hem onder veel goeden voor den beften houd.

Julia.

En de rede is?

Lucetta. Ik heb geene rede daarvoor dan eene vrouwen, rede, ik houd hem voor den beften, omdat ik hem daarvoor houd.

Julia.

En zoud gy dan willen dat ik myne liefde op hem zou werpen ?

Lucetta. Ja, zo gy uwe liefde niet (onwaerdiglyk) weg wilt werpen.

Julia.

Hoe, en hy is de eenige van allen, die my nooit getroffen heeft.

Lucetta.

En echter dunkt my, dat hy u het meest van allen bemint.

Julia.

Dat hy zo weinig fpreekt toont dat hy my weinig bemint.

Lucetta. Het vuur, dat het meest verborgen gehouden word, brand het fterkst.

Julia.

Zy beminnen niet, die hunne min niet toonen.

Lucetta. o, Zy beminnen het minst, die hunne min voor alle menfchen ten toon fte'ien., Julia.

Ik zou wel wenfchen zyn hart te kennen.

Y 3 Lw.

Sluiten