Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

£ L T S P E L. 347

VIERDE TO ON E £ L.

Met Tooneel is in bet huis van Antonii.

Anionio, Panthion.

Antokio. Zeg my, Panthion , welk een ernftig gefprek was het, dat gy met myn' broeder in het kloofter gehad hebt ?

P a n t h i o n.

Het was over zyn' Neef Proteus, uw' zoon.

AïTONIO.

Hoe, wat zeide hy van hem?

Panthion.

Hy verwonderde zich , dat uwe Hoogedelheid toeliet dat hy zyne jeugd thuis verfleet, terwyl andere lieden, van geringer aanzien, hunne zoonen van huis zendén om bevordering te krygen; fommigen naar den oorlog, om daar hun geluk te zoeken; anderen om nieuwe en onbekende landen te ontdekken; en weder anderen naar vreemde hooge» fcboolen om geleerd te worden. Voor elke, ja zelfs voor alle deeze bezigheden was, zeide hy, uw zrron Proteus bekwaam; en daarom verzocht hy my, dat ik by u zou aanhouden , dat gy hem zyn' tyd niet meer hier thuis liet doorbrengen, dewyl het zeer nadeelig zou zyn voor zyn" ouderdom in zyne jeugd niet gereisd te hebben.

A n t o n i o.

Gy behoeft deswegens by my niet aan te houi den, ik heb hierover reeds eene maand lang gedacht. Ik heb het verlies van zyn' tyd rypelyk overwogen, en dat hy zonder oefening en waereld. kennis nooit een volmaakt man kan worden; de ondervinding word door vlyt verkregen, en vol-

maakt

Sluiten