Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 L Y S P E Li 353

door u heen fchynen als het water door een urihaal, zodat elk oog, dat u maar ziet, een Doctor is, die uwe ziekte kan verklaaren.

Valentino. «,',,'• Maar zeg my:kent gy myne Minnaares Sylvia i Speed.

Die, welke gy zo fterk aankykt als zy aan de tafel zit?

Valentino, Hebt gy dat opgemerkt? Ja, juist dezelfde. Speed.

o, Neen, Mynheer, ik ken haar niet.

Valentino. , Hoe, gy kent haar döor dat ik haar zo iterK aankyk, en evenwel kent gy haar nietl Speed. Is zy niet onbevallig, Mynheer?

Valentino Zy is nog b'evailigcr dan zy fchoon is, knaap. Speed.

Dat weet ik wel, Mynheer.

Valenttno.

Wat weet gy wei?

Spejsd.

Dat zy niet zo fchoon is als gy haar wel beval, lig acht.

Valentino. Ik wil zeggen , dat haare fchoonheid uitneemen-, dé is, maar haare bevalligheid oneindig.

Speed. ... Dat wil zeggen, dat de eene fchtlderachtig is, en de andere buiten tel?

Valentino. Hoe fchtlderachtig,.en hoe buiten tel? Speed.

Wat drommel, Mvnheerl ik meen,zo gefchil* derd om haar fchoon te doen febynen, dat niemand haare fchoonheid telt.

z "A~

Sluiten