Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

£ L T S P E L. 379

Julia.

Ach! weet gy niet, dat zyn gezicht het voedfel is van myne ziel? Heb medelyden met den hongerfnood, waardoor ik verfmacht, door zo lang te verlangen naar dat voedfel. Indien gy de inner, iyke aandoeningen de liefde kende, dan zoud gy begrypen dat gy even ligt een vuur met fneeuw kunt ontfteeken, als het vuur dor liefde met woorden uitblusfchen.

Lucetta. Ik tracht het brandend vuur van uwe liefde niet uit te blusfchen, maar ik tracht alleen de woedende hette van dat vuur te maatigen, op dat de brand niet voortflaa tot buiten de grenzen der rede.

Julia.

Hoe meer gy dat tracht te fluiten hoe heviger het brand. De beek, die onverhinderd met een zacht geruisch voortvloeit, woed, gelyk gy weet met hevige opbruifching, wanneer men derzei ver loop wil fluiten, doch wanneer men dien niet verhindert, dan maakt zy een aangenaam muziek met de veelverwige fleentjes, en geeft een' zachten kus aan elk lis- of rietbofchje, dat zy in haare wandeling voorbygaat, en dus vloeit zy met kronkelende flingers zachtelyk voort tot in den woeften oceaan. Laat my derhalven gaan, en verhinder my niet; ik zal bedaard zyn als eene zachtvloeijende beek, en eiken verdrietigen flap eene tydkorting rekenen, totdat de laatfte ftap my by myn' minnaar zal gebragt hebben; en daar zal ik ruften als eene zalige ziel na veel onrust in de gelukkige velden van Elyfium.

Lucetta.

In welk een gewaad wilt gy op reis gaan? Julia.

Niet in een vrouwelyk -gelaat; Want ik zoek de listige aanflagen der dartele mannene te vermyden.

Waarde

Sluiten