Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B L T S P E L. 403

Örpheus was befpannen met dichterlyke fniaren, wier aangenaame toonen ftaal en fteen konden vermurwen; tygers temmen; en affchuwlyke Le. viathans het grondeloos diep doen verhaten, om op ftrand te fpringen. Na uwe droevige klaagtoo» nen geëindigd te hebben, bezoek dan by den nacht het kamervenfter van uwe minnaares, en geef haar een aangenaam muziek, fpeel op derzei' ver inftrumenten een klaaglyk ftuk; de ftilte van den nacht zal zeer wel voegen aan deeze droevige plegtigheid. Dit en niets anders zal ingang by haar vinden.

de Hertog. Deeze onderrichting toont, dat gy verliefd zyt geweest.

Thurio.

Ik zal uwen raad nog deezen nacht in het werk ftellen. Laaten wy derhalven, myn waarde Proteus, myn raadgeever, terftond in de ftad rondgaan om eenige lieden op te zoeken, die bedreven zyn in de muziek, ik heb een gedicht, dat dienftig kan zyn voor ons oogmerk.

de H e rt o g.

Maakt dan voortgang, Heeren.

Proteus;

Wy zullen uwe Hoogheid verzeilen tot na het avondmaal; en daarna zullen wy onze zaaken ten uitvoer brengen.

dé Hertog. Neen, doet het aanftonds. Ik ontilaa u.

Einde van bit Derde Bedryf.

Cc *

VIER-

Sluiten