Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B L T S P E L. 400 Proteus.

Ja, Signor, dit doe ik, anders zou ik niet hier zyn.

Thurio.

Wie, Sylvia?

Proteus. Ja, Sylvia, om uwentwille.

Thurio.

Ik dank u voor uwe genegenheid. Nu, Heeren, laaten wy de toonen Hellen, en dan met lust aan bet werk voor eene wyle tyds.

DERDE TOONEEL.

DE VoORIGEN, een herbergier, Ju.

LU, in Manskleedtrcn.

Herbergier. Hoe nu , myn jonge gast, my dankt, dat gy droefgeeftig zyt, ik bid u, zeg my toch, hoe komt dat?

Julia.

Waarlyk, Hospes, enkel omdat ik niet vrolyk kan weezen.

He rb« a gier. Kom, kom ik zal u wel vrolyk maaken; ik zal u ergens brengen, daar gy muziek zult hooren, en dien heer zien, naar wien gy gevraagd hebr. Julia.

Maar zal ik hem hooren ipreeken?

Herbergier. Ja, gy zult hem hooren.

Julia.

Dat zal (de aangenaamfte) muziek (voor my) zyn.

Herbergier.

Hoorl hoori

Cc s J*.

Sluiten