Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B L T S P E L. ai,

Julia»

ZcjIs het u behaagt, Mynheer; —— ik zal al les doen , dat ik kan.

Pr oteus.

Ik hoop ja. — (Tegen Launce) Hoe nu, lompe rekel! waar hebt gy zedert twee dagen loopen lanterfanten?

Launce.

De droes, Mynheer! ik heb den hond gebragt aan Donna Sylvia, gelyk gy my geboden had. Proteus. En wat zeide zy van myn klein lief hondje t Launce.

Wat droes, Mynheer! zy zeide, dat uw hond een ieiyke rekel was, en laat zeggen, dat zy u voor zulk een prefent een hondsch compliment laat maaken.

proteus.

Maar zy heeft evenwel myn'hond aangenomen? Launce.

Neen, zeker niet; ik heb hem hier weder me degebragt.

Proteus. Hos , hebt gy haar dan dien uit myn' naam aangeboden ?

Launce.

Ja, Mynheer, dat ander eekhoorntje wierd my omdolen door een' beulsknecht op de markt; en toen heb ik haar myn' eigen' hond aangeboden, die wel tienmaal dikker is dan de uwe, en dus was de gift ook veel grooter,

Proteus.

Gaa heen, en zoek myn'hond wederom, of kom anders nooit weder onder myn gezicht. Pakuweg, zeg ik; blyft gy hier nog ftaan om my te kwellen ? Gy zyt een rekel! die tot niets goed is, dan ora my geduurig te fchande te maaken. (Launcevertrekt,) Sebaftiano, ik heb u gezegd, eensdeels, Dd 2 dat

Sluiten