Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B L Y S P E L. 4*1

En, wanneer gy die boodfcfaap zult gedaan hebben, kom dan fpoedig naar huis, en in myne kamer , daar zult gy my vinden droevig en alieen.

(Proteus vertrekt,')

AGTSTE TOONEEL.

Julia, (alleen,)

Hoe weinig meisjes zouden zulk eene boodfchap willen doen! Ach, arme Proteus! gy hebt een* wolf tot herder over uwe fchaapen gefteld. ■ Maar, helaas '• hoe kan ik zo dwaas zyn van mede* lyden met my te hebben, daar hy hem in den grond van zyn hart veracht? Hy veracht my, omdat hy haar bemint; en omdat ik hem bemin moet ik hem beklaagen; ik heb hem deezen ring gegeven, toen hy affcheid van my genomen heeft, om hem aan myne genegenheid te doen denken, en nu ben ik de ongelukkige bode, die aangefteld word, om datgeen te verzoeken, hetwelk ik gaarne zou wenfchen niet te verkrygen; en om datgeen over te leveren, hetwelk ik v»el zou wenfchen, dat geweigerd mogt worden; en om de getrouwheid aan te pryzen van hem, wiens ontrouw ik moet laaken. Ik ben de getrouwe en ftandvastige minnaares Van myn" Meefter, maar ik kan zyne getrouwe bediende niet worden, zonder ontrouw te worden tegen myzelven. Ik zal echter voor hem (by Sylvia) aanhouden , maar zó koel, als ik wensch, gelyk de hemel weet, dat hy geen* ingang mooge vinden. (Sylvia komt op bet Tooneel.) Goeden dag, Jongvrouw, ik bid u, dat gy my tot een middel wilt ftreKken om my te geleiden daar ik met Donna Sylvia fpreeken kan.

Sylvia.

Wat zoud gy van haar begeeren, indien ik het was? Dd 3 Ju-

Sluiten