Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

42j Ut TWEE EDELLIEDEN tan VERONA,

Julia.

Indien gy het zyt, dan verzoek ik, dat gy met geduld gelieft te hooren naar eene boodfchap, waarom ik uitgezonden ben.

S tlvia.

Van wien?

Julia.

Van myn' Heer, Signor Proteus, Mevrouw.

Sylvia. Oh! dan zend hy u om myn af beeldfel, Julia.

Ja, Mevrouw.

Sylvia.

Sylvia. (tegen eene van haare kameniers.') Urfula, haal myn af beeldfel hier. Gaa heenen, en geef dit aan uw' meefter, en zeg hem van my. nentwege; dat zekere Julia, welke zyn veranderlyk gemoed vergeten heeft, beter gefchikt zou zyn om zyne kamer te vertieren dan deeze fchaduw. Julia.

Laat het u behaagen, Mevrouw, deezen brief te leezen. —— Vergeef het my, Mevrouw, ik heb onvoorzichtiglyk u een papier overgegeven, dat gy niet hebben moet; dit is de brief aan uwe Hoogedelheid.

Sylvia.

Eilieve, laat my dat ander papier nog eens zien.

Julia.

Dat mag niet weezen, Mevrouw, Tergeef het my.

Sylvia.

Ziedaar, neem dat dan ook terug; ik wil geen gefchrift van uw' Heer aanzien; dewyl ik wel weet, dat het opgevuld is met liefdesbetuigingen, en nieuwbedachte eeden, die hy even achteloos zai yerbreeken als ik zyn' brief in ftukken fcheur.

I*

Sluiten