Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

2 L Y S P É L. 425

Helaas' hoe kan toch de liefde met zichzelve fpeelen' Ziehier haar af beeldfel; laat ik eens zien; my'dunkt, indien ik zo gekleed was, dan zou myn gelaat niet minder beminnelyk zyn dan het haare; en echter heeft de fchilder haar een weinig gevleid, ten zy, dat ik my te veel vlei, haar haair is ligtbruin , en het myne is volmaakt goudgeel. Indien, dit al het onderfaheid in zyne liefde maakt, dan zal ik my eene paruik van zodanig eene kleur 'doen maaken. Haare oogen zyn graauw als glas, en zo zyn ook de mynen; ja, maar haar voorhoofd is laag, en het myne is hoog. Wat kan hy toch hoogachten in haar, dat hy in my niet zou kunnen vinden, indien de tedere liefde geene blinde godheid was ? Kom, fchaduw kom; en neem deeze fchaduw op, want zy is uwe medevryfler. o Gy gevoellooze gedaante,gy zult aangebeden,gekust, bemind, en geftreeld worden; en indien gy eenig gevoel kond hebben van zyne eerbewyzing, dan zou ik wel wenfchen in uwe plaats een beeld te worden. Ik zal u wel behandelen ter liefde van uwe meeftres, omdat die my ook zo behandeld heeft; en indien dit niet zo was, dan zweer ik by den hemel, dat ik uwe blinde oogen zou uitgekrabt hebben, om te maaken, dat myn Meeier u niet meer beminde.

Einde van bet Vierde Bedryf.

Bi 5 TIF.

Sluiten