Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

B L r S P E L. 43*

VIERDE TOONEEL.

Het Tooneel is in het Hol van de Struikroovers. Valentino. (alleen)

Hoe zeer kan het gebruik eene gewoonte by den mensch verwekken, deeze fchaduwryke woesteny, en deeze eenzaame bosfchen behaagen my thans beter dan bloeijende en volkryke (leden. Hier kan ik my iff eenzaamheid nederzetten, zonder van iemand gezien te worden, en myne klagten doen overeenllemmen met den zoetkiaagenden toon der nachtegaaien, o Gy, die myn gemoed bewoont, Iaat dit uw verblyf niet al te lang ledig ftaan, opdat het niet bouwvallig worde, en inftorte, zonder eenige gedachtenis na te laaten van hetgeen hst te vooren was. Herftel my door uwe tegenwoordigheid, Sylvia. Bevallige Veldgodin kom uwen rampzaligen herder opbeuren. —— Welkeen gefchreeuw, en welk een gerucht is hier den gantfchen dag geweest! Het zyn myne metgezellen, die hunnen wil tot hunne wet maaken, zy maaken zekerlyk jagt op den een' of anderen ongelukkigen reiziger. Zy beminnen my van harte, en echter heb ik veel moeite om hen van onmenfchelyke beleedigingen af te houden. — Verfchuil u, Valentino; wie komt daar aan? (Valentino gaat ter zyde.) (Proteus, Sylvia, en Julia komen op het Tooneel.) Proteus.

Mevrouw, ik heb u deezen dienst gedaan, [fchoon ik wel weet, dat gy geen acht flaat op hetgeen uw dienaar doet,] met gevaar van myn leven, om u uit hunne handen te verlosfen, en u te bevryden van hen, die uwe eer zouden geweld aangedaan hebben. Vergun my voor myn' loon flechts één'gunftigcn oogwenk; ik kan u geene geringer bede

dü-n,

Sluiten