Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ii CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

tig- Maar zeg my, bid iku, hoe ftaat het met den anderen hoop ?

Coriolanus. Die is van een gefcheiden. Die fchurken' Zy zeiden, dat zy uitgehongerd waren; zy Reenden niets dan fpreekwoorden , dat, Honger fteenen muuren brak, dat, Honden wel moesten eeten, dat, Het eeten voor den mond gefchapenwas.dat. De Goden het koorn niet alleen voor de ryken lieten groeijen. —- Met deeze en dergelyke brokken fiieten zy hunne klagten uit; en toen die beantwoord wierden, en hen een verzoek toegeftaan, waarlyk een zeer vreemd verzoek, dat de edelaartigheid het hart moet doen barsten, en de moedigfte magt doen verbieeken, toen wierpen zy hunne mutfen naar de hoogte , als of zy die aan de hoor. nen van de maan hadden willen ophangen, en boezemden als om ftryd hun gejuich uit. M. Agrippa. Wat heeft men hen dan toegeftaan ?

Coriolanus. Vyf Gemeensmannen om hunne Janhagels-wys. heid te verdeedi^en, die zy zeiven gekozen hebben. Een derzelven is Junius Brutus, en Sicinius Velutus, en ik weet niet wie al meer. By Jupiter! dat fchuim zou veeleer allen de huizen van Romen van hunne daken beroofd hebben, eer zy zo veel van my zouden hebben verkregen! Zy zullen door den tyd de opperfte magt overmeesteren , en nog grooter ontwerpen tot oproer fmeeden.

M. Agrip pa, •Dat is iets vreemds.

Coriolanus, (tegen bet volk.) Voort , fcheert u naar huis , nietswaerdigen! (Een Bode komt op bet Tooneel.)

Bode. Waar is Cajus Marcius ?

Co-

Sluiten