Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

16 CA JUS MARCIUS CORIOLANUS.

Brutus.

Gy fpreekt wel ; de helft der verdienden van Cominius zal voor Marcius zyn, fchoon hy die niet heeft ingeöogft, en allen zyne misflagen zullen eertitelen zyn voor Marcius , of fchoon hy dit inderdaad niet verdient.

Sicinius.

Kom, laaten wy van hier gaan, en hooren hoedanig de bevélen zyn ingericht; en op welk eene wyze hy buiten zyne gewoonte, zal te veld trekken.

Brutus. Ja, laaten wy gaan. i

VYFDE TOONEEL.

Het Tooneel is te Corioli, de Hoofdjlad der Volfcers.

Tullus Aufidius, Raadsheerew der volscers.

Eerste Raadsheer.

Zo is dan uw gevoelen, Aufidius, dat de Romeinen ons voorneemen ontdekt hebben, en weeten hoe wy zullen te werk gaan ?

Aufidius.

En is dit niet het uwe insgelyks ? Waaraan toch beeft men in deezen (laat gedacht, dat werkftellig kon gemaakt woaden , éér Romen daar van kondfchap kreeg ? Het is nog geen vier dagen geleden, dat ik tyding van daar gekregen heb. — In de volgende woorden. — Ik meen, dat ik den brief by my heb. — Ja, daar is die, (Hy leejl.)

„ Men heeft hier eene magt op de been gebregt, „ maar bet is onbekend, of die naar het Oosten, „ of naar het Westen beftemd is. De duurte is

n hier

Sluiten