Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

treurspel; xj

„ hier zeer groot; en daar gaat een gerucht, dat ,, Cominius, Marcius, uw oude vyand, die hier „ te Romen nog meer gehaat is dan by u, en ,, Titus Lartius, een zeer dapper Romein,'dat „ deeze drie de gemelde krygstoerufting naar de ,, plaats haarer beftemming zullen geleiden. Waar ,, fcbynlyk zal het op u gemunt zyn. Overweeg „ dit nu. Vaarwel."

Eerste Raadsheer. Ons leger is in het veld, en wy hebben nim> mer daaraan getwyfeld, of Romen was gereed om ons af te wachten.

Aufidius.

Ook hebt gy het geene dwaasheid geacht, uwe groote oogmerken bedekt te houden, tot dat die noodzaakelyk zichzelven moesten ontdekken, die echter reeds in hunne geboorte, naar het fchynt, te Romen zyn uitgelekt. Door deeze ontdekking zullen wy ons doelwit mïsfen , het welk was, veele fteden in te neemen, éér Romen de weet kreeg, dat ons leger op de been was.

Tweede Raadsheer.

Edele Aufidius, aanvaard uw bevel, fpoed u naar uwe legerbenden, en laat ons de zorg voor Corioh aanbevolen. Wanneer zy zich voor deeze Stad nederflaan, voer dan uw leger aan om hen het beleg te doen opbreeken; maar ik denk , dat gy bevinden zult, dat zy niet tegen ons zyn uitgeruft. '

Aufidius. Twyfa daar niet aan, ik fpreek met zekerheid, ja zelts , dat meer is , een gedeelte van hunne magt is reeds op weg, en enkel hier naar toe. Ik verlaat uwe Achtbaarheden. Indien het gebeurt, dat Cajus Marcius en ik eikanderen ontmoeten, dan hebben wy onder eede beloofd , zo lang te zullen ftryden, tot dat een van beiden buiten ftaat van tegenweer gefteld is.

b Al.

Sluiten