Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

18 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

lepels, Hukken yzer, die naauwlyks een penning waerdig zyn, kleederen, die zelfs een beulsknecht zou begraaven met de lyken , die hy opgehangen had, met zulke nietswaerdige dingen Ioopen deeze laaghartige fchelmen weg, éér nog de ftryd geëindigd is. Slaat (de Volfcers) ter neder.' Hoort toch welk eene krygsgerucht gintfch onze Veldheer (Cominius) maakt 1 — Naar hem toe! — Daar is myn gezworen vyand Aufidius, daar doorfteekt hy onze Romeinen» Dappere Titus, behoud zo veel volk by u, als noodig is om de Stad te bewaaren , en ik zal in tuflchen met de geenen, die moeds genoeg hebben, my fpoeden om Cominius te hulp te ko. men.

T. Lartius. Dappere held, gy zyt gewond; en gy hebt u te veel vermoeid om ten tweedenmaal het gevecht te hervatten.

Coriolanus. Prys my niet, Mynheer; myn arbeid heeft my nog niet eens warm gemaakt. Vaarwel; het bloed, dat ik ftort.is veeleer heilzaam dan gevaarlyk voor my. Ik zal my dus aan Aufidius vertoonen, en hem beftryden.

T. Lartius, Dat dan de minzaame Fortuin zó fterk op u'verlieve, dat zy de zwaarden van uwe vyanden, door haare alvermoogende toverkracht, doe misfen.' Moedig Held, dat het geluk uw leidsman zy! Coriolanus. Ik wenfch u denzelfden voorfpoed, myn Vriend dien zy fchenkt aan de geenen, die zy het meest begunftigt. En hiermede Vaarwel.

T. Lartius. En gy insgelyks, dappere Marcius. (Tegen den Trompetter.) Gaa heen , fteek de trompet op de groote markt, en roep allen onze Bevelhebbers

byëen,

Sluiten