Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL.

37

naar uw genoegen uit te kiezen, vóór de algemeene verdeeling.

Coriolanus. Ik dank u, myn Veldheer, waar ik kan myn hart niet beweegen eenige belooning voor myn zwaard aan te neemen. Ik moet dit weigeren, en een gelyk aandeel verzoeken met degeenen die myne daaden aangezien hebben. (Men hoort een lang trtmpettengefcbai. en bet geheel legtr roept , Marcius, Marcius , en allen fleeken zy hunne mutfen en fpiesfenin de hoogte ; Cominius en 1'. Lartius ftaan blootshoofds.)

Coriolanus. Mogten die muziek • inftrumenten , welken gy ontheiligt, nooit weder geluid kunnen geeven/Als trompetten en trommelen in het veld vleijers worden, laaten dan de velden even als de fteden een valfch gelaat vertoonen! Wanneer het ftaal 10 zacht word als de zyden kieederen van een' tafelvriend, laaten dan lofzangen krygsmarfchen worden! — Niets meer, zeg ik; om dat ik myne bloedende neus niet afgewasfchen heb, of den een' of ande. ren zwakken elendel'ng met den voet vertreden heb; het welk veeien, die hier zyn, gedaan hebben ; overlaad gy my met te veel vergroote loftuitingen, even als of het my kon behaagen, dat myne geringe waerdy zou onthaald worden op lof gefausd met onwaarheden.

Cominius. Gy zyt al te zedig; en meer wreed tegen uwen goeden naam, dan dankbaar jegens ons,die u dien met recht geeven. Onder uw welneemen, indien gy vertoornd zyt tegen uzelven, zullen wyu, even als iemand, die zyn eigen nadeel zoekt , handboejens aandoen, eh dan bedaard met u fpreeken. Laat hst derhalven aan een' ieder' kenbaar zyn, dat Cajus Marcius den eerkrans van deezen oorlog heeft weggedragen, en ten teken daarvan fchenk ik hem C 3 myn

Sluiten