Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TREURSPEL.

43

Beiden. Welnu, Mynheer. —-

M. Agrippa. In welke misdaaden is Marcius arm, waarvan gy niet een' grooten overvloed bezit.

Brutus.

Hy is in niet eene ondeugd arm, maar rykelyk voorzien van alle.

Sicinius. Voornaamelyk van trotsheid.

Brutus,

En hy gaat alle anderen in grootfpreekendheid te boven.

M. Agrippa. Dat is vreemd. Weet gy beiden wel, waarvoor gy beiden hier in de Stad gelaakt word, te weeten by ons Edelen, die van de rechte liniën afdaalen ? Weet gy dit wel ?

Brutus.

Welnu, Mynheer, waarover worden wy gelaakt?

M. Agrippa. Dewylcynu toch van trocsheid (preekt.— Maar zult gy niet toornig worden ?

Beiden. Neen, Mynheer; gaa voort, gaa voort.

M. Agrippa. Nu, het kan ook niet veel fcheelen,een kleins dief van gelegenheid zou u een groot geduld kunnen ontfteelen. Geeft uwe naiging den ruimen teugel, en weeft zo toornig als het u behaagt, ten minfte, wanneer gy het voor een vermaak houd, toornig te zyn. Gy laakt Marcius, om dat hy trotfefi is. Brutus. Wy doen dit niet alleen, Mynheer.

M. Agr ippa. Ik weet wel, dat gy zeer weinigj alleen kunt doen; want gy hebt zeer veele medehelpers, en

indien

Sluiten