Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

46 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

zyn. Ik wenfch uwe Achtbaarheden een' goeden avond; indien ik langer met u fprak, zou het misfchien myne harfens nadeel kunnen doen , de» wyl gy de herders zyt van het beeftachtig Gemeen. Ik zal my de eer geeven van affcheid van u te neemen. (Terwyl by been wil gaan, komen Volumnia, Virginia, en Valeria op bet Tooneel.)

TWEEDE TOONEEL.

De Voorigen. Volumnia, Virginia, Vale ria.

M. Agrippa. Wat nieuws, myne zo fchoone als edele Vrouwen ? [De groote Maangodin zelve , indien zy fterfiyk was, zou niet edeler kunnen zyn] wer« waarts volgt gy zo fpoedig het geleide uwer oo» gen?

Volumnia. Ede'e Menenius, myn zoon Marcius nadert deeze ftad. Ter liefde wan Juno laat ons gaan» M Agrippa. Hoe!komt Marcius naar huis?

Volumnia. ' Ja, edele Menenius, en wel met de allergelukkigfte toejuiching.

M. Agrippa, (Zyne muts naar de hoogte werpende )

o, Jupiter, ontfang myne muts, en tevens my. ne dankzegging/ Hal Marcius komt naar huis! Sicinius en Brutus. Hoe! is het waar?

Volumnia. Ziedaar, daar is een brief van hem aan ons, en daar is een andere aan den Raad; zyne gemaalin

heeft

Sluiten