Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

5a CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

zieke minnemoers laaten haarevoedfterlingen fchreeuwen tot zy ftuipen krygen, terwyl zy van hem bab. beien; de fmeerige keukenflst fpeld haar' beften fytel om haar' berookten hals, en klautert tegen de muuren om hem te zien. Stailen , winkels vensters, alles word verdrongen; de floepen zyn opgepropt, de nokken der huizen zynoverfchreden door (menfchen van) verfchillende gedaanten; die echter overeenftemmen in nieuwsgierigheid om hem te zien; Priefters, die zelden in het openbaar komen , worftelen door het gedrang van het gemeen, en zwoegen om eene geringe plaats te krygen; onze gefluijerde jufferfchap geeft den tweeftryd tuflchen het leliewit en roozerood op haare bevallig- bloozende wangen ten prooi aan de brandende kusfen van Phebus; daar is zulk een geweld, als of de God, die hem befchermt, wie die ook zyn mag, heimelyk in zyne menfchelyke krachten was ihgeflopen, en hem eene bekoorlyke houding ge. geven had.

Sicinius. o, Ik zie hem wel haaft Burgemeefter. Brutus.

Dan kan ons ampt, geduurende zyne regeering wel gaan flaapen.

S.icikius,

Hy weet zyne eeretrappen niet op eene gemaatigde wys van het een op het ander over te bren« gen, of waar hy moet beginnen of eindigen; en dus zal hy welhaaft verliezen hetgeen hy gewonnen heeft.

Brutus. Dit is onze grootfte trooft.

Sicinius. Twyfel niet, of het Gemeen, voor hetwelk wy opkomen, zal, volgens den ouden haat tegen hem, by de geringfte gelegenheid, deeze zyne op nieuw verkregene eer vergeeten, en dat hy hiertoe gele-

gen-

Sluiten