Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

54 CAJUS MARCIUS CORIOLANUS.

Sicinius. Wanneer dit, gelyk gy wel zegt, hen voorgefteld word, ten een'of anderen tyd, wanneer zyne hoogvliegende trotsheid het volk beleedigt; het geen niet misfen kan, zo ras hy daartoe gelegen» heid zal hebben; en die te vinden is zo ligt, als honden tegen fchaapen aan te hitfen; dan zal het een vuur zyn om hunne drooge ftoppels aan te fteeken, en derzlever damp zal hem voor altoos zwart maaken. (Een Bode komt op bet Tooneel.) Brutus. Wat is de rede van uwe komft ?

Bons.

Gy beiden word ontboden op het Capitool. Men denkt, dat Cajus Marcius Burgemeefter zal worden; ik heb gezien, dat ftomme menfchen drongen om hem te zien, en blinden om hem te hooren fpreeken; eerwaerdige Matroonen wierpen hem haa. re handfchoenen, edele Juffers, en Burgermeisjes haare fluijers en zakdoeken toe, wanneer hy voorby haar ging ; de Edelen boogen zich voor hem als voor het beeld van Jupiter; en de Gemeenenmaakten een' regen en donder met hunne mutfen en toejuichingen, waatvan ik nog nooit de wedergas gezien heb.

Brutus.

Laaten wy naar het Capitool gaan, en onze oo. gen en ooren fchikken gelyk het de tyd vereifcht, maar onze harten naar de uitkomft.

Sicinius.

Ik Item met u.

VYFDS

Sluiten